Het ontstaan van West-Nederland
Het landschap van West-Nederland is in de loop van duizenden jaren
gevormd tot wat het nu is. Deze veranderingen voltrokken zich
aanvankelijk langzaam. Waar nu land is, was vroeger soms water en
andersom. Oorspronkelijk speelde de mens met z'n beperkte technische
mogelijkheden een geringe rol en paste zich van nature in de eerste
plaats aan de omgeving aan. Ingrijpen in de natuur is reeds lang
geleden begonnen maar vanaf 1900 in stroomversnelling geraakt.
IJstijden
In West-Nederland zijn geen echte oude lagen meer te vinden.
De oudste lagen stammen uit het PIeistoceen. In het
Pleistoceen bedekte een ijskap een deel van ons land.
Het Pleistoceen werd gekenmerkt door een afwisseling van koude en
minder koude perioden. De bekendste koude periode is het
zogenaamde Riss-glaciaal, toen het landijs in Nederland lag.
De ijslobben van deze ijskap stuwden bodemmateriaal voor zich uit en
vormden de stuwwallen van Midden-Nederland: Utrechtse heuvelrug en
Gelderse Vallei.
In de laatste koude periode (Würm glaciaal) reikte de ijskap maar tot
in Denemarken. In Nederland was het toen zeer koud en relatief droog.
Op veel plaatsen was er sprake van een koude woestijn met stuivend
zand. Elders was het landschap toendra-achtig en werd doorsneden door
rivieren en beken die smeltwater van de ijskappen van Midden-Europa en
het Noorden afvoerden. Doordat toen veel water in de vorm van landijs
was vastgelegd was het zeeniveau laag en lag de Noordzee droog.
De kustlijn liep in de buurt van de Doggersbank.De rendierjagers die
toen leefden konden zonder probleemoversteken naar Engeland. Waar de
wind vrij spel had, kwam zand in beweging en werd als duinen afgezet,
die later vervlakten tot een zanddek, dat grote delen van het land
bedekte. Vanuit periodiek droogliggende rivierbeddingen blies de wind het zand op tot hoge
rivierduinen (donken). Latere afzettingen van klei en veen hebben deze
rivierduinen echter grotendeels bedekt. Hier en daar steken ze nog
boven klei en veen uit. De oorspronkelijke bewoners vestigden zich
hier, op de donken (Alblasserwaard!).
De periode na de IJstijden
Aan het eind van het PIeistoceen trad een klimaatverbetering op
waardoor de ijskappen gingen smelten.
De vegetatie veranderde en er kwamen bomen: eerst vnl. grove den en
later meer loofbomen; tevens ging de zeespiegel stijgen zodat de
Noordzee zich ging uitbreiden en de kustlijn naar het oosten schoof.
Nu brak de volgende periode aan: het Holoceen.
In het begin van het Holoceen was de invloed van het smeltwater
in ons land nog groot: rivieren hadden een sterk wisselende waterstand
waardoor ook veel bodemmateriaal werd meegevoerd. Op plaatsen waar de
stroomsnelheid van het water verminderde (in de Delta) werd dit
materiaal afgezet. Dit verstopte de rivieren.
Er ontstond een stelsel van vlechtende rivieren waarvan de
rivierbeddingen zich vaak verlegden. Bij verdere stijging van de
temperatuur kwam er meer smeltwater zodat er constantere
waterstromen met regelmatiger banen kwamen. Door stijging van de
zeespiegel werden de bewoners en de dieren van de daar liggende
gebieden samengedreven op de hogere delen. De Doggersbank werd toen
een eiland dat tenslotte geheel onder water kwam. Nu vissen vissers
daar nog regelmatig resten van mammoeten op.
Door stijging van de temperatuur veranderde ook de begroeiing de berken
en dennen namen toe en later kwam de eik, linde, iep en essen nog later
de beuk aan bod. Er ontstond een gevarieerd bos.
De zee en de rivieren bouwden strandwallen op langs de huidige kust die
door Rijn en Maas onderbroken werden. Zo werden er overwallen langs de
rivieren gevormd waar de eerste mensen leefden; er achter ontstonden
moerassige bossen.
In deze rivieren trokken trekvissen als steur en zalm stroomopwaarts.
In de moerasbossen kwamen bever, bruine beer, edelhert en wild zwijn
voor.
De mensen gebruikten stenen wapens zoals bijlen waarmee ze op herten
en wilde zwijnen joegen. Naast de vangst van trekvissen was de
bevervangst een belangrijke voedselbron. Landbouw en veeteelt waren
afhankelijk van de mogelijkheden die men had om het land te bewerken.
Onder de romeinen met hun organisatie en bestuur nam de bevolking op de
oeverwallen toe. Na instorting van het Romeinse Rijk ging de
voedselproductie en dus de bevolking achteruit.
Bedijking
De invloed van de zee en de rivier en veenvorming konden doorgaan
totdat men ging bedijken rond de 10-de eeuw. De kleine hogere bewoonde
delen werden bedijkt. Daarna kreeg de zee minder invloed en nam de
invloed van het zoete water toe. Tot dicht aan de kust overheersten
rietvelden en moerasbossen.
In 1421 overstroomde de grote waard (Land van Heusden en Altena,
Biesbosch,Hoekse Waard en Dordrecht) waarbij 16 dorpen werden
weggevaagd.
De geschiedenis van het eiland IJsselmonde
Het begin van de jaartelling
Op sommige hoge oeverwallen, stroomruggen en donken was het
rivierengebied al voor de Romeinen bewoond.
De noordgrens van het Romeinse rijk (500 v.C. tot 500 n.C.) lag langs
de Oude rijn.
Het landschap bestond uit rietgorzen en moerasbos dat bestand was
tegen overstroming en uitdroging. Veel voorkomende bomen in die
tijd waren Wilg, Els, Hazelaar en Berk. Bovendien was er een
rijke fauna met o.a. Wolf, Otter en Bever. De mensen moesten zich
toen aan de omstandigheden aanpassen en vestigden zich op de
hogere plaatsen.
In die tijd werd er op de oeverwallen al bos gekapt en graan verbouwd.
De mensen kapten bos voor de verwarming, behuizing en voeselbereiding.
Het waren vnl. vissers, jagers en vogelaars.
De meeste akkers en nederzettingen verdwenen weer toen de rivieren
weer erg aktief werden in de periode vlak na de Romeinen.
De rivieren
De loop van de rivieren rond het huidige IJsselmonde was na de
tijd van de Romeinen anders en verdeelde het eiland in drie
delen: het Land van Putten over de Maas, de Riederwaard en de
Zwijndrechtse Waard.
De Maas liep langs Geertruidenberg en ging van daar naar Wieldrecht en
's Gravendeel.
Tot Geertruidenberg staat de Maas bekend onder de naam "Bergse Maas".
Vanaf 's Gravendeel ging de Maas als Binnenmaas door de Hoekse waard
naar Heinenoord en de oostelijke punt van het eiland Putten.
De Waal stroomde tot Dordrecht via de huidige loop van de Merwede.
Vandaar nam de Waal een noordelijke richting aan tot Alblasserdam om
daar via het huidige binnenwater de Waal naar Heerjansdam te stromen.
Vanaf Heeriansdam stroomde de Waal samen met de Dubbel in de richting
van Heinenoord.
De Dubbel splitste het eiland van Dordrecht in twee delen.
De Waal vormde de natuurlijke scheiding tussen de Riederwaard en de
Zwijndrechtse waard.
De Riederwaard en de Alblasserwaard waren slechts door een kleine
kil ("de donkere sloot") van elkaar gescheiden. Bewijs hiervoor
is dat de Noormannen bij hun invallen of de Lek of de Waal
opvoeren en niet van de ene rivier naar de andere over konden
steken.
De polder Donkersloot was later een eiland en werd oorspronkelijk tot
de Alblasserwaard gerekend. De mensen uit deze waard hadden vroeger
nl.het recht om grond weg te halen uit polder Donkersloot ("recht van
aardhalen").
Wanneer de verbinding tussen de Riederwaard en de Alblasserwaard werd
verbroken is onbekend, maar moet voor 1028 geweest zijn. In 1028 was
er nl. al sprake van de Merwede bij het slot IJsselmonde. Misschien is
de verbinding verbroken tijdens een verschrikkelijke vloed in de 9e
eeuw.
Ook de zuidzijde van de Zwijndrechtse waard is tot het einde van
de 12e eeuw met het vaste land van Dordrecht en de Hoekse waard (toen
de "Grote zuidhollandse Waard") verbonden geweest. In 1295 wordt voor
het eerst van de Oude Maas gesproken, die misschien ontstaan is door
een watervloed in 1287 die een groot deel van de Zuidhollandse trof.
Eiland IJsselmonde
Het eiland IJsselmonde, toen nog niet zo genoemd, kwam al in 895 ter
sprake toen bisschop Ansfridus van Utrecht het Zuid-nedermaasland in
leen kreeg van de duitse keizer Otto III.
Omdat Otto III geen juiste grenzen van het gebied had aangegeven maakte
de hollandse graaf Dirk III ook aanspraak op het eiland en dan met name
de Riederwaard.
Na een strijd kwam de hollandse graaf als winnaar uit de strijd, maar
grensincidenten bleven niet uit. Ook de Zwijndrechtse waard kwam aan
Dirk III, die de jagers, vissers en houthakkers op z'n hand had.
In 1064 wint Utrecht officieel van Holland door ingrijpen van keizer
Hendrik IV; de utrechtse bisschop Willem van Belder bouwt dan een slot
bij IJsselmonde ter bescherming van de waterwegen, die belangrijke
handelswegen voor Utrecht waren.
Zo is in 1072 voor het eerst sprake van Islemünde wat sloeg op
het slot dat tegenover de monding van de IJssel was gelegen.
In 1076, na een nieuwe confrontatie met de hollandse Dirk V verliest
Utrecht de macht weer waarbij het slot Islemünde weer verloren gaat.
Later wordt hier een ander slot gebouwd.
Riederwaard
De naam Riederwaard, Reyerwaard of Reyderwaard is waarschijnlijk
afkomstig van het geslacht Riede dat in 1060 in Oost-IJsselmonde
uitgestrekte goederen bezat.
Een andere verklaring is dat de waard genoemd is naar de eerste
bedijker die ridder of rijder was.
De aanleg van dijken
In de 11-de eeuw vinden de eerste bedijkingen in Holland plaats.
In de 12-de eeuw heeft waarschijnlijk de eerste bedijking van de
Riederwaard plaats gevonden.
Van echte dijken was toen nog geen sprake, het ging veel meer om kaden.
Na bedijking zijn de kommen toch lange tijd ontoegankelijk en drassig
gebleven met hooilanden, eendekooien en wilgengrienden.
In grienden werd vlechthout gehaald voor dijkbouw.
Reeds in 1287 is er een dijkdoorbraak geweest in de Riederwaard.
Bij aanvang van de 14e eeuw was dit eiland niets anders dan een
verzameling van kleinere eilandjes, door veel killen of kreken
gescheiden en met gorsen of platen omgeven. Gorzen noemden men oorden
of noorden en dit komt in enkele plaatsnamen nog terug: Rijsoord,
Feijenoord en Varkensoord.
Veel plaatsen hebben zich op oeverwallen en donken gevestigd
(Rotterdam en Dordrecht).
Afdamming van Waal en Devel
De eerste officiele bedijking vond in de Zwijndrechtse waard in 1331
plaats.
Bij de bedijking van 1331 werden Waal en Devel afgedamd en zodoende een
binnenwater omdat dit water door een andere loop van de Waal minder in
omvang was geworden.
Toch moesten er dammen over 450 en 250 meter gelegd worden; de
hollanders waren toen al beroemde dijkenbouwers.
Tevens werd in 1331 de eerste kerk van de Zwijndrechtse waard te
Rijsoord gebouwd.
Het veen op het eiland werd al vroeg verbrand om uit het as zout
te kunnen winnen; deze bewerking van het veen heette derrie of darinck
delven.
Door dit darinck delven en slecht dijkonderhoud vonden vele
overstromingen plaats.
In 1334 overstroomde de Zwijndrechtse waard, maar werd in 1336 opnieuw
bedijkt.
De dijken werden in 1373 en 1374 door een hoge vloed van de Lek geheel
verwoest; Graaf Willem V zorgde voor herbedijking van de Zwijndrechtse
waard. De Riederwaard bleef nog overstroomd.
In 1375 werd wonen in de Riederwaard niet meer mogelijk en de inwoners,
teruggetrokken op de Pruimendijk en de Waaldijk, moesten helpen om de
Zwijndrechtse waard weer voor bewoning geschikt te maken.
In 1392 was de dijk nog niet hersteld.
In 1404 is het oostelijke deel van de Riederwaard opnieuw bedijkt:
de polder Oud-Reijerwaard waarvan Oostendam de dorpskern was.
Het dorp Riede, dat dus al in 1105 een pastoor en een kerk had, werd
weer opgebouwd en een nieuwe kerk werd gesticht zodat de naam
Riederkerck werd.
De Elisabethsvloed
In 1421 vond de Elisabethsvloed plaats waarbij de Riederwaard ook
overstroomde. Dit was te wijten aan de slecht onderhouden dijken langs
de Waal. Bij deze vloed ontstond tevens de Biesbosch.
In 1424 werd de Zwijndrechtse waard vrij snel opnieuw bedijkt door Jan
van Beveren; de Riederwaard bleef echter weer onder water staan ondanks
vrijstelling van schulden.
Pas in 1440 werd de grond opnieuw ter bedijking uitgegeven waarna de
grote Reijerwaardse polder achtereenvolgens in kleinere en grotere
polders werd ingedijkt; de laatsten pas in de 18e eeuw.
In 1441 werd de polder Nieuw-Reijerwaard als eerste bedijkt door
aansluiting op de IJsselmondedijk ('t dijkje).
Reeds in 1446 overstroomde de Hordijk van IJsselmonde en hiermee werd
ook Nieuw-Reijerwaard getroffen. De grond voor dijkherstel en onderhoud
kwam vnl. uit de Ridderkerkse gorzen en het gors Feijenoord;
Barendrecht was toen nog niet bedijkt.
Welvaart op IJsselmonde
In de 17e en 18e eeuw kwam de gehele streek dan geleidelijk tot
welvaart, welke kenmerkend is geweest voor de gehele republiek.
Een gunstige samenstelling van de bodem, het hollandse klimaat,
een goed ligging tussen voorname steden als Rotterdam en Dordrecht, die
beide aan een rivier liggen en het feit dat de meeste belangrijke
noord-zuid verbindingen te land over het eiland liepen, droegen hier
belangrijk toe bij.
Eeuwen oud zijn de veeteelt en later de landbouw met vooral koren en
in het oosten vlas (vnl. langs de Waal). In de Oudheidskamer van
Ridderkerk is deze oude nijverheid nog te zien.
De eisen van de stadsbewoners deden een belangrijke tuinbouw ontstaan,
evenals een intensieve zoetwatervisserij rond het gehele eiland. Het
ging hierbij vooral om de vangst van zalm en steur.
Overal in de dijkdorpen kwamen de grotere en kleinere bedrijven tot
bloei: zoutketen, steenplaatsen, scheepswerven en industriemolens voor
het persen van olie, het maken van tras, het zagen van hout en het
malen van meel (de Karsseboom!).
Het eiland is sinds de tweede helft van de 19e eeuw in een stroomversnelling
geraakt: In 1872 stoomde de eerste trein over het eiland; daarna
volgden de maasbruggen, de Barendrechtse brug, de Spijkenissebrug en de
tramverbindingen.
Tegelijkertijd ontstond aan de noordkant van het eiland de gordel van
havens met bijbehorende industriegebieden.
Na de 2e wereldoorlog is de industriële ontwikkeling nog sneller
gegaan.
Van 21.000 inwoners in 1950 is het inwonertal nu op meer dan 200.000
gekomen. Vooral in de laatste 50 jaar is het hard gegaan.
![[IMAGE]](ijsselm1.jpg)
![[IMAGE]](ijsselm2.jpg)
Eiland IJsselmonde anno 1999
Tegenwoordig is het landschap geheel door de mens bepaald en ook
de invloed van het water is door de deltawerken gering geworden.
Van het oude landschap is niets over op enkele grienden langs de Noord
en de Oude Maas na.
De wolf is sinds 1850 uitgestorven en de Bever en de Otter ook.
De vegetatie is grotendeels verarmd en aangeplant.
Van de oude kastelen en gebouwen op IJsselmonde is vrijwel niets over.
Het water en de fauna kunnen de mensen op IJsselmonde niet meer
bedreigen.
Nu is er alleen nog het gevaar dat de mensen zelf opleveren en de
door hun veroorzaakte milieuproblemen!